“Erving”
door
Luc Vos
SMASHWORDS EDITION
*****
PUBLISHED BY:
Luc Vos on Smashwords
*****
“Erving”
Copyrigh © 2010 door Luc Vos
*****
All rights reserved. Without limiting the rights under copyright reserved above, no part of this publication may be reproduced, stored in or introduced into a retrieval system, or transmitted, in any form, or by any means (electronic, mechanical, photocopying, recording, or otherwise) without the prior written permission of both the copyright owner and the above publisher of this book.
This is a work of fiction. Names, characters, places, brands, media, and incidents are either the product of the author's imagination or are used fictitiously. The author acknowledges the trademarked status and trademark owners of various products referenced in this work of fiction, which have been used without permission. The publication/use of these trademarks is not authorized, associated with, or sponsored by the trademark owners.
*****
Smashwords Edition License Notes
This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each person you share it with. If you're reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then you should return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the author's work.
* * * * *
‘Mannekes, het is bijna tijd om terug naar het appartement te gaan. Jullie hebben nu wel lang genoeg gespeeld hé. Seffens gaat er iemand verongelukken in de put die jullie gemaakt hebben.’
‘Ja baas,’ antwoordde Steven grinnikend.
‘Helaba, rustig aan hé vriend, of je doet seffens de afwas.’
‘Oei oei, nu ben ik bang.’
Glimlachend bekeek Lieve de drie vrienden die net een gigantische put gemaakt hadden op het strand van Oostende. Vijf jaar nu al kwamen deze twee vrienden van hun zoon Casper een paar dagen mee naar zee in de zomer. En elk jaar opnieuw werd er gedreigd met afwassen. Maar zover kwam het nooit.
‘Jongens, ik ga de tent al afbreken. Jullie ruimen jullie spullen op, ok?’
De vrienden knikten en begonnen eraan. Ze waren eigenlijk ook wel wat moe, want ze hadden echt wel een diepe put gegraven. En het was behoorlijk warm. Ze hadden dorst en honger. Honger voor een ijsje vooral. Waar bleef die ijsjesventer nu? Die kwam hier normaal gezien continu voorbij en nu hadden ze hem nog niet gezien. Typisch. Als je echt, écht zin had in een ijsje, was er niemand te zien. Als het te koud was of als je geen honger had, kwam die kerel minstens om het kwartier voorbij.
Turend keek Casper om zich heen. Waarbij hij even zijn blik liet vallen op enkele meisjes die in de buurt van hun tent topless aan het zonnen waren. Echt geïnteresseerd in het andere geslacht was hij nog niet, maar hij begon wel enige vreemde sensaties te voelen bij het aanschouwen van dit soort taferelen. Daar moest hij toch eens met zijn vader over praten.
Gniffelend stootte hij Tom aan en wees naar één van die dames die zich net op haar rug draaide.
‘Mooi hé,’ fluisterde hij.
Tom keek even met grote ogen en glimlachte toen een beetje verlegen terug.
‘Fatcool man,’ antwoordde hij stilletjes, intussen ook Steven een por in zijn rug gevend. Deze laatste was net bezig met een paar spullen in een zak te steken, en wilde al een duw terug geven, maar toen hij zag waarom Tom hem duwde, keek ook hij zeer geïnteresseerd.
‘Wat gebeurt er jongens? Waarom doen jullie niet verder?’ vroeg Lieve, maar toen ze de blikken van de jongens volgde, begreep ze genoeg. Ze zei verder niets, maar glimlachte even. Tegelijk een beetje zorgelijk kijkend. Het was heel normaal wat de jongens voelden en toonden, maar het was ook een teken dat ze groot aan het worden waren. En dat ging voor haar veel te snel. Ze kon zich de tijd nog levendig herinneren dat Casper met zijn spulletjes in de zandbak aan het spelen was of leerde fietsen. Toen had hij hoegenaamd nog geen interesse voor meisjes. Buiten de normale kleuterschoolverliefdheden, maar dat was allemaal nog heel onschuldig. Dit begon iets anders te worden. Al was er nog niet veel gevaar natuurlijk.
‘Kom Tom, we ruimen verder op. Ik heb honger.’
‘Jij hebt altijd honger Casper, jij gaat nog eens zo vet als een varken worden.’
‘Ze kunnen niet allemaal zo’n spriet zijn als jij hé. Jou zie je nog bijna niet lopen.’
‘Geen ruzie hé mannekens,’ kwam Lieve even tussen, maar ze wist dat het niet gemeend was.
Snel greep Casper de schop die naast de put in de grond stak, daarbij nog een hoopje zand opwerpend richting Tom.
‘Hier, dat zal je leren.’
‘Hé, doe dat niet, verdorie, dat vloog bijna in mijn oog. Huh, wat is dat? Wacht eens even. Casper, Steven, kom eens kijken!’
Tussen het zand dat Casper opgeworpen had, zat iets. Iets klein en rond. Iets dat bijna in Toms oog gevlogen was. Caspers nieuwsgierige kant kreeg onmiddellijk de overhand en met een snelle sprong stond hij bij Tom.
‘Laat eens zien!’
Hij wou het vreemde voorwerp uit Toms hand rukken, maar de jongen was hem te snel af.
‘Rustig hé, ik heb het wel gevonden hé.’
‘Ja, maar ik heb het naar jou gegooid.’
‘Daar had je maar eerder aan moeten denken hé.’
‘Jongens, jongens, wat gebeurt er? Maak eens voort. Ik heb ook wel honger hoor.’
‘Ja, maar mama, we hebben …’
Een harde por in zijn zij deed hem zwijgen.
‘Sssst,’ fluisterde Tom. ‘Niets zeggen, ik wil eerst weten wat dit is.’
Casper knikte. Tom had wellicht gelijk.
‘Niets mama, we komen direct, we zijn aan het opruimen.’
‘Ik mag het hopen. Luister eens, ik neem deze spullen mee en ga al vooruit. Ik zal al aan het eten beginnen. Jullie komen onmiddellijk achterna hé. Nergens blijven hangen. Binnen maximum tien minuten verwacht ik jullie op het appartement hé.
‘Ja mama, we zullen er zijn.’
‘Ok, tot dadelijk.’
Lieve had het er lang moeilijk mee gehad om Casper een stukje los te laten en zelfstandig aan zee rond te laten lopen, maar hij was al twaalf nu en samen met zijn twee beste vrienden wisten ze meer dan hun plan te trekken.
Casper wachtte nog heel even tot zijn moeder ver genoeg was om niets meer te horen en sprong toen terug naar Tom.
‘Laat zien. Wat heb je daar? Was is dat? Is het een schat? Is het goud? Van waar komt het?’
Dat was Casper ten voeten uit. Honderduit vragen, nieuwsgierig in hart en nieren.
‘Rustig Casper. Rustig. Hoe moet ik dat nu weten? Ik heb het ook nog maar net gevonden. Ik denk dat het een soort medaillon is. Wellicht een prul dat iemand hier onlangs verloren is.’
‘Het lijkt wel van goud,’ vulde Steven aan, die ook erbij gekomen was.
Tom hield het kleinood in zijn hand en bekeek het met veel respect. Voorzichtig veegde hij het zand eraf en blies nog even om de korrels die zich in de kleine inkepingen genesteld hadden te verjagen.
Het goed vasthoudend, stak hij het omhoog en draaide het tussen zijn vingers in alle richtingen rond. Het leek inderdaad van goud te zijn. Rond en zo’n centimeter dik. Een doormeter van drie à vier centimeter en zoals een medaillon leek het ook uit twee delen te bestaan. Maar waar ze de rand, die helemaal rond de zijde liep, zouden kunnen openen, zagen ze niet direct. Van een scharnier was er geen spoor te vinden.
Met zijn T-shirt wreef Tom de bovenkant helemaal proper waarna er een tekst te voorschijn leek te komen.
Gespannen keken de jongens elkaar aan. Op één of andere manier beseften ze dat dit geen gewoon medaillon was. Er was iets mee, iets speciaals, iets, iets, iets, ze wisten niet wat. Maar dat het niet normaal was, daar waren ze helemaal van overtuigd.
Toms handen trilden licht toen hij het medaillon dichter bij zijn gezicht bracht om de tekst te lezen. Maar de teleurstelling was groot toen hij niets kon opmaken van wat er geschreven stond. Dat het woorden waren, leek wel duidelijk, maar de krullen en tierlantijntjes die de woorden sierden, leken in niets op de woorden die ze de afgelopen zes jaar geleerd hadden in school. Dikke en dunne krullen wisselden elkaar af, maar of het nu Chinees, Russisch of Nederlands was, de jongens konden het niet zien.
Een mengeling van teleurstelling en nog grotere opwinding maakte zich van hen meester. Ze konden niet lezen wat het was en het open krijgen, leek ook niet simpel, maar dat dit medaillon iets heel belangrijks was, leek nu wel heel zeker.
Gehypnotiseerd bekeken ze het kleine, blinkende ding in Toms hand. Geen van hen durfde te ademen, geen van de drie twaalfjarigen durfde zijn blik weghalen van het gouden kleinood, uit vrees dat het zou verdwijnen, uit angst dat het zou vervliegen in de hete, zomerse wind.
Zo bleven ze daar wel vijf minuten staan, tot Casper zijn moeder in zijn hoofd hoorde roepen. Met een schok keerde hij terug naar de werkelijkheid.
‘We, euh, ik, euh, we moeten naar het appartement. Of mama wordt heel boos.’
Dit bracht ook de twee andere jongens terug naar de realiteit en nog half in trance knikten ze.
‘We zullen het straks verder bekijken,’ fluisterde Tom, met moeite zijn blik van het kleinood aftrekkend, met veel tegenzin het wel loodzwaar lijkende medaillon in zijn broekzak stekend.
‘Zie dat je het niet verliest hé,’ maande Steven nog aan.
‘Neen, neen, het zit diep in mijn zak,’ antwoordde Tom licht geïrriteerd. ‘Maak je maar geen zorgen.’
‘Rustig hé, dat weet ik wel, maar dit mogen we niet verliezen hé.’
‘Neen, sorry, weet ik. Ik zal er goed op letten.’
Snel pakten ze de spullen bij elkaar die nog op het strand lagen en liepen ze naar het appartement. Het zou al op het nippertje zijn van te laat te komen. Ze wisten hoe snel Caspers moeder ongerust was, en als ze haar echt ongerust maakten, zouden ze die avond niet meer buiten mogen.
Zo snel ze konden, spurtte het drietal over het strand, de trap op en snel naar het appartement. Het appartement was op de tweede verdieping, maar ze hadden geen tijd om op de lift te wachten. De strandspullen werden rap rap in de berging op het gelijkvloers gesmeten, waarna ze naar boven stormden. Twee treden tegelijk nemend, liepen ze naar boven en sprongen ze, neen, vielen ze bijna het appartement binnen.
‘Rustig aan jongens. Kalm hé, breek de boel niet af.’
Ze was niet boos. Oef, ze hadden geluk. Ze hadden er eigenlijk geen idee van of ze nu echt te laat waren of niet. De tijd dat ze naar het medaillon hadden staan staren, was echt een gat in hun geheugen. Was het vijf minuten geweest? Of tien? Of een uur? Ze hadden geen idee.
‘Schoenen uit, strandkleren uit, en geen zand in de slaapkamers hé jongens. Jullie kuisen het zelf op als ik daar zand vind.’
Ze wisten wel dat ze het proper moesten houden, en eigenlijk vonden ze dat zelf ook wel best. Zand op het strand was leuk. Zand overal in het appartement was minder aangenaam.
Zo snel ze konden, trokken ze andere kleren aan en doken ze de slaapkamer in.
‘Eten binnen vijftien minuutjes,’ riep Lieve vanuit de keuken.
‘Ok mama,’ antwoordde Casper, waarna hij de deur zachtjes dichttrok.
‘Laat zien Tom, waar is het medaillon?’ fluisterden Casper en Steven bijna gelijktijdig.
Tom had het uiteraard niet in zijn strandbroek laten zitten en haalde het kostbare voorwerp eerbiedig uit zijn broek. Hij legde het op het bed waar ze opzaten tussen hen in waarna ze alledrie weer in een eerbiedige aanbidding vervielen.
Er leek een kracht uit te gaan van het medaillon die hun aandacht volledig opeiste. Geen van hen durfde het kleinood aanraken uit schrik het stuk te doen. Maar ze werden ook overweldigd door de wil om te weten wat erin zat. Want dat er iets inzat, dat het kleinood een geheim met zich meedroeg, daar waren ze zeker van. Dat wisten ze gewoon. Maar wat was dat dan?
‘We moeten het proberen open te krijgen,’ begon Steven – de doener – zachtjes en strekte zijn hand al uit naar het medaillon.
‘Neen, niet doen,’ brieste Tom bijna woest, terwijl hij de hand van Steven weg sloeg.
‘Hé, kalm hé. Je doet me zeer.’
Dit leek Tom een beetje tot de realiteit terug te brengen.
‘Sorry Steven, was zo niet bedoeld. Maar we mogen het niet kapot doen hé. Want ik denk dat het grote waarde heeft.’
‘Dat weet ik wel Tom, maar ik wil ook weten wat erin zit. Ik wil het ook niet stuk doen hé.’
‘Weet ik wel.’
‘We moeten iemand vinden die ons kan zeggen wat dit is. Iemand die veel van oude dingen kent. Want dit is oud. Dat voel ik. Daar ben ik zeker van,’ fluisterde Casper zacht en nadenkend. Zijn ogen geen seconde van het medaillon afwendend.
De twee anderen keken hem begrijpend ja. Ja, dit was oud. Dat voelden ze ook. En ja, zelf zouden ze de antwoorden niet vinden. Maar wie kon hen helpen? Konden ze dit tegen Caspers moeder zeggen? Zou zij dit niet afdoen als een verzinsel van twaalfjarigen?
‘We moeten het aan mama vragen,’ beantwoordde Casper hun twijfels. ‘Zij is lerares, zij weet wat dit kan zijn, of minstens wie ons kan helpen. En als ze ons niet gelooft, dan gaan we er zelf mee verder. Wat denken jullie?’
Steven was direct akkoord, maar Tom moest er nog even over nadenken.
‘Wat als jouw moeder ons die medaillon afneemt? Dan hebben we niets meer. Ik denk niet dat ik hem kan afgeven…’ voegde Tom er dromerig aan toe.
Casper keek zijn vriend bevreemd aan. Dit was niets voor Tom. Normaal gezien was hij veel nuchterder dan dit. Maar Casper voelde zelf ook een vreemde invloed van dit kleine sieraad op zijn gevoelens. Ook hij wilde dit kunstwerk niet afgeven. En op een vreemde manier voelde hij dat dit voorwerp iets met hem te maken had. Met zijn geschiedenis, met zijn voorvaderen. Maar wat dit was, kon hij onmogelijk verklaren.
‘Tom, je kent mijn mama toch beter dan dit hé. Dat zou ze nooit doen. En zelf kunnen we niet achterhalen wat er aan de hand is. We moeten het haar zeggen. En denk je dat ik het ons laat afpakken?’
Dit laatste leek Tom te overtuigen. Vooral de manier waarop Casper dit gezegd had, was overtuigend geweest. Het was duidelijk dat ook Casper iets speciaals voelde.
De drie vrienden keken elkaar aan en één na één knikten ze.
‘Ok,’ fluisterde Casper zacht. ‘We zeggen het seffens aan tafel. Na het eten. Goed?’
Dat was wellicht het beste, want voor het eten zouden ze er niet aan toe komen.
‘Jongens, eten komen. Hebben jullie jullie handen al gewassen?’ klonk het vanuit de keuken.
Snel liepen de jongens naar de badkamer waar ze hun handen wasten, waarna ze zonder morren aan tafel schoven. Lieve keek even vreemd. Ze was het niet gewoon dat de jongens zo snel aan tafel kwamen, maar haalde haar schouders op. Ze zouden volwassen aan het worden zijn zeker? Tijdens het eten werd er niet veel gesproken. Het was vooral Lieve die de jongens aan de praat hield, want zelf hadden ze niet veel zin om over iets anders dan het medaillon te praten.
Eindelijk was het eten op en Tom gaf Casper een zachte trap onder de tafel. Deze knikte bijna onmerkbaar en schraapte zijn keel.
‘Wat is er jongens?’ Vroeg Lieve nog voor Casper iets kon zeggen. ‘Zeg eens wat er scheelt, want jullie zijn wel uitzonderlijk stil. Wat hebben jullie voor kattenkwaad uitgestoken dat jullie nu willen maar niet durven opbiechten?’
Ze keken elkaar ongelovig aan. Was het zo fel opgevallen? Of zag Caspers moeder gewoon door hen heen? Ze kende hen ondertussen goed genoeg om te weten of er iets was of niet.
Casper schraapte nogmaals zijn keel en begon zacht.
‘Wel euh, mama. Er is iets ja. Maar neen, we hebben geen kattenkwaad uitgestoken hoor. We hebben niets misdaan. Maar we hebben iets gevonden. Iets waarvan we niet goed weten wat we er mee moeten doen, maar waarvan we wel weten dat het iets speciaals is.’