Excerpt for Het jachtgeweer by Patrick Brannigan, available in its entirety at Smashwords

Het jachtgeweer

Patrick Brannigan


Smashwords Edition

Copyright 2011 Patrick Brannigan

Smashwords Edition, License Notes

This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each recipient. If you’re reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then please return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the hard work of this author.

~


Jan Ittersum reed naar huis en zijn gedachten dwaalden naar het jachtgeweer dat in de schuur hing. Het was zijn laatste familiebezit. De initialen van zijn grootvader stonden in het hout van de kolf gebrand. Het was het kostbaarste voorwerp dat hij bezat. Die klootzak van een Goudsmit had hem een smak geld beloofd als hij het geweer aan hem wilde verpanden, maar Jan had de verleiding weerstaan. Zowel zijn grootvader, zijn vader als hijzelf hadden er vlees mee op tafel gekregen. De dubbelloops Browning hing vol verborgen verwoesting aan twee haken boven zijn gereedschap, goed in de olie, begerig om dodelijke ladingen hagel in gillend vlees te pompen. Hoe lang zou het nog duren voordat hij het tevoorschijn zou halen?

Dat zou die lachjes wel van hun gezicht afvegen. Dat zou ze leren om een Ittersum te vernederen. Dat zou er een eind aan maken.

Hij omklemde het stuur, zijn knokkels werden wit. Hij stak zijn duimnagel zo diep mogelijk in de neplederen bekleding. Hij liet zijn blik over de polder glijden. Regenvlagen geselden de knotwilgen en veranderden het weiland in een moddervlakte. Zo lang als hij zich kon herinneren was het landschap dat hem omringde grauw en kil. Hij was niet meer dan een nietige stip op een weg in een moddervlakte, op een wereld die omringd werd door een onvoorstelbare leegte. Was het dan gek om je eenzaam te voelen, ook al had je een vrouw en kind die thuis op je wachtten? Misschien was hij wel nooit helemaal normaal geweest. Zijn eigen gezicht staarde hem aan vanuit zijn achteruitkijkspiegel. Hij zag er inderdaad krankzinnig uit, stelde hij vast. Die heeft een tik van de molen, zei zijn grootvader altijd.

Hij stond klaar om de provinciale weg op te draaien. Rechts zag hij een vrachtwagen naderen. Hij aarzelde, gaf toen gas. Hij zag de grille van de vrachtwagen adembenemend snel groeien in zijn achteruitkijkspiegel. Een claxon weerklonk terwijl Jan de dood zag naderen. Wat een lullige manier om aan je eind te komen: verpletterd op een kleurloze dag, na een vernederend gesprek bij je uitgever. Jan grijnsde vreugdeloos. Door zijn gaspedaal helemaal in te drukken kreeg zijn oude Mazda genoeg vaart om de vrachtwagen voor te blijven, maar het scheelde weinig. De vrachtwagenchauffeur bleef toeteren, zelfs nadat alle gevaar geweken was.

Bij het verderop gelegen stoplicht sprong de chauffeur uit zijn vrachtwagen en beende door de regen naar Jans auto, het achterop komende verkeer negerend. Jan vouwde zijn elleboog uit het raam. Hij zou woede moeten voelen, of angst. Maar de enige emotie die hij bespeurde was nieuwsgierigheid. Hij was benieuwd of de man zou gaan slaan. De chauffeur was minstens dertig kilo te zwaar, van middelbare leeftijd en droeg een slobbertrui, die zeiknat werd in de regen. Hij begon met gebalde vuisten tegen hem te schreeuwen. Klodders speeksel spatten uit zijn mond, tegen Jans mouw.

‘M’n vrachtwagen lag bijna op z’n kant! Mafkees! Ik sta helemaal te trillen.’

De man bleef vloeken en tieren, zelfs toen het stoplicht op groen was gesprongen en verschillende auto’s toeterend passeerden. Toen het duidelijk was dat hij niet zou gaan slaan, verloor Jan alle belangstelling, maakte een halfslachtig gebaar en vervolgde zijn weg. In zijn achteruitkijkspiegel zag hij de vrachtwagenchauffeur een laatste keer met zijn vuist zwaaien, voordat hij zijn pens in de vrachtwagen hees.

Jan huiverde, maar niet vanwege zijn ontsnapping aan de dood. De blik die hij in de achteruitkijkspiegel had geworpen had hem niet zijn eigen, krankzinnige gezicht getoond. Heel even had een demon met gele ogen en blikkerende tanden naar hem gegrijnsd.


Een vage stank walmde hem uit de wc tegemoet toen hij zijn natte jas ophing. De ouderwetse riolering kon de neerslag niet meer verwerken. Overal op de vloer van de woonkamer lag speelgoed verspreid, de tv zond het geblaat van een kinderprogramma uit, de eettafel lag vol met tekenpapier, viltstiften en plastic borden met half opgegeten boterhammen. Door de dunne muur hoorde hij het gekijf van de buurvrouw, die de gewoonte had om haar man voor het diner verrot te schelden. Saartje lag met een bleek gezicht op de bank, onder een dekbed. Sofie zat naast haar, keek even op, fronste en keerde zich toen weer naar het kind. Jan bekeek haar rug, die afkeer uitstraalde. Kon ze van zijn gezicht aflezen dat het gesprek een fiasco was geworden?

‘Ze heeft koorts,’ zei zijn vrouw. Sofie depte het voorhoofd van hun kind, dat doodstil bleef liggen. Jan beende naar de keuken en schonk zich een borrel in. De machteloosheid die de ziekte van zijn dochter opriep maakte hem razend. Hij klokte de jenever in één keer achterover en voelde zijn ergernis langzaam zakken. Waarom onderdrukte hij zijn woede eigenlijk? Het was één van de weinige emoties die hem nog vergund was.

Jan bleef naar zijn gezin staren vanuit de keuken. Sofie zweeg. Gelukkig maar. Haar stilte was de enige remedie tegen de opflakkering van zijn gemoed, die hem altijd deed schreeuwen en tieren. Jan keek naar zijn dochtertje, die inmiddels haar ogen gesloten had. Saartje was bijna vijf. Ze ontweek hem als hij thuiskwam, ze zweeg als hij iets vroeg, ze weigerde hem een kusje te geven als haar moeder dat vroeg. Jan klemde zijn kaken op elkaar. Snel leegde hij zijn glas om zijn dichtgeknepen keel te ontsluiten. Het leek zo kort geleden dat Saartje net was geboren. Haar afwijzing kerfde een wond in zijn hart. Saartje houdt niet langer van je. Jan schrok. Was dat zijn eigen gedachte? Of de gedachte van iemand anders?

Hier had hij niets meer te zoeken. En een fatsoenlijke maaltijd zit er toch niet in. Weer die stem uit zijn binnenste. Dokter Van der Plaat had hem gewaarschuwd: hij kon zijn innerlijke stem het beste negeren. Maar de laatste tijd sprak de stem steeds vaker. Niet dat hij trek had, trouwens. Jan greep de fles en vluchtte de trap op, naar zolder.


Ongelooflijk hoe hypnotiserend een knipperende cursor op een computer kan zijn. Blink. Pauze. Blink. Pauze. Blink. Hij zat er nu al zo’n drie kwartier naar te staren. De regen sloeg venijnig tegen het dak, zocht een weg naar binnen. Uit de kinderslaapkamer op de middenverdieping klonk met onregelmatige intervallen de droge hoest van Saartje.

Jan sloeg zijn handen voor zijn gezicht en concentreerde zich op zijn gelukkigste herinnering, zoals dokter Van der Plaat hem had aangeraden. Hooi van het land halen in de nadagen van augustus, op het land van zijn grootouders. Schaften bij de hooiwagen, de spieren van zijn vaders armen, zijn oma die hem zijn boterhammen gaf. De scherpe knal van de Browning, het gejuich toen zijn grootvader de dode haas triomfantelijk omhoog hield. Zijn grootvader die het geweer in zijn armen drukte. Het gewicht dat de kleine Jan, amper zes jaar oud, nauwelijks omhoog kon tillen. De geur van cordiet die uit het geweer walmde. De glimlach op het gezicht van zijn grootvader, toen al gerimpeld als een verdroogde appel. Het zonlicht dat de veldbloemen deed geuren.

Het hielp geen zier. Hij kon zich niet concentreren. Het gehoest van Saartje scheurde door zijn herinnering zoals onweer een nazomerdag kan verscheuren. Het tikken van de regen op de dakpannen gaf hem geen behaaglijk gevoel, integendeel. Het herinnerde hem alleen maar aan de vochtplek op het plafond, schuin achter hem. Dit huis begon van ellende uit elkaar te vallen. Het dak was de zwakste plek van hun harnas tegen de buitenwereld. Hij was bang voor de stem in zijn binnenste, die ieder moment tegen hem kon gaan praten. En de cursor, hij knipperde meedogenloos verder. Blink. Pauze. Blink.

Saartje bleef hoesten. Het klonk als een raspend uch, uch, uuuch. De lange, rochelende uithaal in haar laatste kuch was een duidelijk teken dat ze opnieuw longontsteking had. Jan masseerde zijn slapen; zijn hoofdpijn was weer terug. Grote, granieten keien met scherpe randen rolden heen en weer achter zijn voorhoofd. Hij slokte een nieuwe borrel naar binnen en schonk zichzelf direct bij. Je weet immers maar nooit hoe snel je een volgende borrel nodig hebt. En dan kan je hem maar beter klaar hebben staan, toch? Jan bleef de stem negeren, die niet zozeer in zijn hoofd leek te zitten, maar meer vanuit zijn onderbuik leek te komen. Het was een zware bas, heel anders dan zijn eigen stem.

Jan staarde naar zijn beeldscherm. Het viel niet langer te ontkennen: hij kreeg niets meer op papier. De cursor knipoogde naar hem, alsof hij hem aan wilde moedigen. Maar Jan wist wel beter. De cursor lachte hem uit, want hij zat vast. Zijn laatste opleving was alweer drie maanden geleden: met een bovenmenselijke inspanning had hij een kort verhaal van drieduizend woorden uit zijn computer weten te wringen en naar zijn uitgever gestuurd. Het ging over een jongen die door zijn mobiele telefoon gehersenspoeld werd en veranderde in een psychopathische moordenaar. Misschien was het niet zijn beste verhaal ooit, maar het was in ieder geval een verhaal. Een afgerond, kort verhaal. Hij was er zelfs een beetje trots op. Oké, de intrige had beter gekund. Zijn personages waren cliché. De dialogen waren nogal zouteloos. Zelfs het perspectief was her en daar ietwat discutabel. Maar toch: een kort verhaal. En bijna binnen de deadline!

Die middag was hij bij zijn uitgever geweest. Polak, een pafferige man met een voorkeur voor geruite colberts, glimlachte minzaam naar hem. Tot zover geen vuiltje aan de lucht. Maar al snel kwam een nare boodschap. Polak vertelde dat ze het verhaal niet wilden opnemen in de nieuwe bundel. Helaas moest Polak hem ook informeren dat ze in de nabije toekomst geen gebruik wilden maken van zijn talent. Misschien was het een goed idee als hij zijn proza eens aan een andere uitgever aan zou bieden?

Eigenlijk zei Polak dat hij op moest flikkeren met zijn achterlijke verhaaltje. Eigenlijk zei Polak dat Jan dood mocht neervallen, maar dan natuurlijk liever niet op hun stoep. Een goedemiddag nog, meneer Ittersum. En wat had Jan gedaan? Had hij gevloekt, getierd, Polak op zijn bek geslagen? Nee. Hij was trillend naar buiten gewankeld, de regen in, nagekeken door achtereenvolgens Polak, de redacteuren en de receptioniste. Misschien was het ook maar beter zo. Wie weet wat er was gebeurd als zijn geweer in de achterbak van zijn Mazda had gelegen?

Jan schoof onrustig heen en weer op zijn bureaustoel. Als hij niet eens een kort verhaal gepubliceerd kon krijgen bij een uitgever met wie hij al jaren samenwerkte, hoe zou het dan zijn manuscript vergaan? Een halve roman sluimerde in zijn computer, wachtend op voltooiing. Zijn personages gilden hem toe vanuit de krochten van zijn verbeelding. Ze wilden eruit. Hij durfde de bestanden niet langer te openen. Misschien zouden zijn personages hem naar de keel vliegen.


Purchase this book or download sample versions for your ebook reader.
(Pages 1-5 show above.)